Vluchtroutes

Wymeer/Bellingwolde

Ten zuiden van Nieuweschans ligt het dorpje Bellingwolde. De grens, die tussen Bellingwolde en het Duitse dorpje Wymeer liep, bestond feitelijk slechts uit een smalle sloot, die bovendien een deel van het jaar droog stond. Direct aan deze grenssloot lag het boerderijtje van Derk Telkamp, een communist, evenals enkele van zijn zonen. Eén van hen wasjarenlang betrokken bij het over de grens halen van Duitse vluchtelingen. Hij heette net als zijn vader Derk.

Voor de familie Telkamp was de illegale grensovergang in die tijd niets ongewoons:

"Het was toen een erbarmelijke toestand. Om een dubbeltje te verdienen moest je bij wijze van spreken van Roodeschool naar Maastricht lopen. Daarom hebben wij altijd voor tweederde van de smokkelhandel geleefd. Daarom hadden wij goede contacten in Duitsland. We liepen er altijd. Ik ben bijna in Duitsland beter bekend als hier in Nederland." [Derk Telkamp]

Huis van Derk Telkamp in Bellingwolde

Foto: Ruud Weijdeveld, 1982

Door het smokkelen kende Derk Telkamp het gebied aan de grens uitstekend. Ook wist hij precies wanneer en waar de douanebeambten aan de grens te verwachten waren. Daarom werd Derk Telkamp — hij was toen pas een jaar ofachttien — door zijn vader gevraagd of hij bereid was Duitse anti-fascisten aan de andere kant van de grens op te halen. Dat was rond 1935. Zelf was zijn vader daartoe niet in staat vanwege een handicap.

De voorbereiding van de komst van de vluchtelingen ging buiten Derk Telkamp om. Dat werd geregeld door zijn vader en een contactpersoon aan de andere kant van de grens:

"Nee, dat was de medewerking van een Duitser. De mensen, die ik daar weghaalde, spoorde ik niet op in Duitsland. Dat was nog zo'n oude sociaal-democraat. Maar een goede. Dat was Johann Bültena. Daar haalde ik de mensen weg. En hij waarschuwde ons als er vluchtelingen bij hem waren aangekomen.

Dat ging zo. Johann Bültena was in die tijd tractorchauffeur. Hij reed op van die oude landsbuldoggen. Tegen ons huis stonden geen huizen. Daar lag direct over de grens een groot bouwland. Dat werd door Nederlandse boeren beheerd. Dat was zo'n zeshonderd hectare. En daarop was Bültena tewerkgesteld. En de grens was een sloot. Die liep zo'n zes, zeven meter van ons huis. De ene helft van de sloot hoorde bij Nederland en de andere helft van de sloot hoorde bij Duitsland.

Als hij dan met die buldog aan het ploegen was of iets anders aan het doen was, dan kwam hij bij ons huis. Hij kwam niet over de grens. Hij zette zijn machine af en floot even. Dan wisten wij wel wat er was. Dan zei hij meestal: 'Roep je vader even.' En dan ging mijn vader naar hem toe. En als ik daarna in huis kwam, zei mijn vader: zo en zo. Mijn vader vroeg dan: 'Durfje het wel aan?' De volgende avond of twee avonden erna ging ik erheen." [Derk Telkamp]

De vluchtelingen werden door Telkamp afgehaald als de duisternis ingevallen was. Uitgerust met een nachtverrekijker ging hij naar het huis van Bültena:

"Als ik in Duitsland kwam, dan zat daar die man. Ik zeg: 'Ook gevlucht?' 'Ja', zei hij. 'En U gaat met mij mee?' 'Ja', zei hij, 'hoe gaat dat nou?' Ik zeg: 'Daar zorg ik wel voor.'

Hij kreeg natuurlijk eerst de weg voorgeschreven. En hem werd verteld hoe hij zich moest gedragen. Want naar de Hollandse grens was het allemaal open veld.

Uitzicht van het grens naar Wymeer naar het huis van Johann Bültena

Foto: Ruud Weijdeveld, 1982

Ik ging er het liefst heen met zeer slecht weer — storm, regen en wind. Dan was je het veiligst. Dan hoefden we niet die twee of drie kilometer over het bouwland te sjouwen, sloot-in-sloot-uit. Om elk stuk bouwland had je twee sloten. Maar als het mooi weer was, ging de hele reis over het bouwland. Dan zeiden ze wel eens tegen mij: 'Is er geen andere weg?' Ik zei: 'Er is wel een andere weg. Tweehonderd meter verderop. Daar ligt een mooie zandweg. Maar daar kunnen we niet langs. Dat risico is te groot.' Want daar liepen we de kans, dat we de Duitse douane in het gezicht liepen. Ik zei: 'Het is geen lolletje. Maar als er een sloot komt, waar U niet overheen komt, spring er dan maar in. Ik doe het ook.'

Je moest zo voorzichtig wezen. Ik had ook een verrekijker bij me. Want de douanes hadden meestal van die dikke rothonden bij zich. En die kunnen meer zien en horen als wij.

Dan ging het naar ons huis. Daar stonden posten. Familie — broers, mijn vader, mijn moeder. Die hielden een oogje in het zeil, zodat we niet op de Nederlandse douane botsten. Want dat waren in die tijd zeer 'vriendelijke' mensch. Zo'n Duitser werd gearresteerd en dan heel netjes bij Nieuweschans weer over de grens gezet. De Duitse fascisten grepen dan natuurlijk direct toe!"

Maar niet alleen de Duitse vluchtelingen liepen gevaar. Zeker aan de Duitse kant van de grens kon, indien Derk Telkamp door de Duitse douane werd opgepakt, de hulp aan vluchtelingen voor hem fatale gevolgen hebben:

"Ik moest steeds met de verrekijker kijken. Vermoedde ik wat — al was het ook niets — dan durfde ik al niet meer verder. Omdat er teveel risico aan verbonden was. Want als ik in die tijd was gesnapt — met zo'n vluchteling — dan weet ik ook niet wat er in Duitsland met mij gebeurd was. Dat besefte ik in die tijd ook niet. Daar was ik ook niet oud genoeg voor. Ik begreep dat niet. Of se me direct hadden doodgeschoten? Ik weet het niet. Want die moffen schrokken nergens voor terug."

Eenmaal over de grens gekomen werden de vluchtelingen verzorgd en voor de nacht ondergebracht:

"Die kregen de volle verzorging. Als ik 's avonds om elf of twaalf nur terugkwam — dat was net wat er onderweg gebeurd was — dan zaten ze bij ons. Ze kregen eten en drinken, want ze waren natuurlijk uitgehongerd. De sokken gingen uit en werden uitgespoeld en gedroogd. En ook de broekspijpen. We hadden nog zo’n ouderwetse kachel. Zo’n oven met turf erin. Dan zaten ze met hun voeten in die oven. Als ze opgekalefaterd waren, gingen ze naar de schuur. Daar sliepen ze een nacht in het hooi. Want meer acco- modatie hadden wij ook niet. We waren zelf met tien kinde- ren."

De volgende dag zocht men naar mogelijkheden om de vluchtelingen van het huisje aan de grens weg te brengen:

"Als de douane langs was geweest — op de fiets of lopend — gingen we aan de haal! Met die vluchteling! Want er kwamen nooit twee posten achter elkaar. Als je aan de grens woont, dan weet je dat allemaal haarfijn en precies. Onder normale omstandigheden kwam er een post. Dat waren twee douanes. En als die bij toeval bij ons huis langs kwamen, keken we ook nergens meer naar."

Dan volgde de weg naar het dorp Bellingwolde waarbij het volgende probleem was om het Boele Tijdenskanaal over te steken:

Leeterbrug

Foto: Ruud Weijdeveld, 1982

"Dat ging naar Bellingwolde. Naar een zekere Abbas, een arbeider en ook een partijgenoot. Soms kreeg de vluchteling een fiets mee, maar meestal gingen we lopen. Eerst van de zandweg langs ons huis naar de dijk van het Boele Tijdenskanaal. Dan over de dijk heen en gelijk weer naar beneden. Daar stond erg hoog riet, zodat ze ons van de andere kant van het kanaal niet konden zien. Vervolgens liepen we achter elkaar langs het riet tot de Leeterbrug. Daar zei ik: 'Blijf hier maar liggen.' 'En jij dan?' Want ze waren doodsbenauwd! 'Ik moet even poolshoogte nemen. Ik kom zo terug.' 'Da's goed. Maarje moet terugkomen!' Dan liet ik hem in het riet liggen en ik liep door naar de Leeterbrug, want daar moesten we overheen.

Daar bekeek ik alles. Want er zaten vaak douanes in de zon te koesteren. Als de helft van hun dienst daar om was, sloegen ze hun mantel over de schouders en gingen dan naar ons in De Leete. Ze liepen nog een rondje en dan gingen ze naar huis. Dat wisten we allemaal precies.

Als er niemand was bij de brug, liep ik heel gauw weer terug. Tegelijkertijd moest ik de zandweg van de brug naar Bellingwolde in de gaten houden. Want daar kon de douane langs komen. Dus die weg moest ik goed in de gaten houden. Ik wenkte die vluchteling en dan gingen we over de brug."

Na de brug volgde tenslotte het laatste stuk:

"We gingen niet die zandweg op. Dat was te gevaarlijk vanwege de douanes. We liepen langs de andere kant van het kanaal verder. Daar gingen we een zandweg op, waar nooit iemand kwam. Daar was het het veiligste. En die zandweg kwam precies uit bij het huis van Abbas. Dan stapte ik naar binnen en zei tegen Abbas: zo en zo. 'In orde', zei hij. Ik zat nog even, nam afscheid van die man en verdween weer."

Lang niet altijd verliep de tocht van het huis van Telkamp naar het huis van Abbas zonder problemen. Het kwam regelmatig voor, dat Derk Telkamp zijn huis niet veilig kon verlaten:

"Als ik er één had opgehaald, dan ging hij onherroepelijk de volgende morgen weer weg. Maar als er douane was, waren er moeilijkheden. Wij konden ze met een verrekijker van huis uit zien bij de Leeterbrug. Daar stonden ze met de rug tegen het hek aan.

Dan zei mijn vader: 'We kunnen niet over de Leeterbrug.' Als dat niet kon, moest hij nog een dag en een nacht blijven. Maar ze mochten de woonkamer niet uit. Dat durfden we niet te wagen.

De volgende morgen moesten ze weg. Buigen of barsten, maar dan moesten ze weg! Ook voor onze eigen veiligheid. En dan bracht ik ze naar Bellingwolde."

Wat er met de vluchtelingen gebeurde, nadat zij bij Abbas in Bellingwolde waren gebracht, wist Telkamp niet:

"Ik stond met de Rode Hulp verder niet in verbinding. Als ik mijn werk gedaan had, dan bekommerde ik me er niet meer om. Ik steunde op mijn vader, hè. Die had het tenslotte voor het zeggen. Maar het werk deed ik. Mijn vader kon dat ook niet doen, want hij was invalide.

Ik informeerde na die tijd nog wel eens bij Abbas. Toen reed die oude stoomtram nog door Bellingwolde. Daar woonde Abbas vlak bij. Daar stapten ze op en zo gingen ze naar Winschoten. De Rode Hulp voorzag hen — voorzover als ik weet — van valse papieren. En dan gingen ze naar Amerika.

Ik heb wel eens tegen die mensen gezegd: 'Als je op je plaats van bestemming bent, stuur dan eens een kaartje.' Nooit. Dat konden ze natuurlijk ook niet door de omstandigheden. Maar dat besefte ik in die tijd niet. Ik zei vaak tegen mijn vader: 'Je hoort er nooit meer wat van.' Dan was je wel eens teleurgesteld. 'Ja,' zei mijn vader, 'daar kunnen redenen voor zijn.' Maar ik heb van al die mensen taal noch teken meer gehoord."

De illegale grensovergang bij Bellingwolde bleef lang in gebruik. Pas kort voor de Duitsers Nederland bezetten, kwam er een einde aan het illegale grenswerk van Derk Telkamp:

"Maar die vluchtelingen — waar die nou allemaal vandaan kwamen? Die zei: 'Ik kom van Hamburg.' De ander kwam van Bremen. Je moest het allemaal maar geloven. Maar dat legde voor mij geen gewicht in de schaal. Waar ze wegkwamen, interesseerde me heel weinig. Punt één was, dat ze in veiligheid kwamen.

Toen de oorlog uitbrak en we bezet werden, toen was het gebeurd. We hadden toen al een tip gekregen van Bültena. Hij zei: 'Ermee ophouden.' Waar hij die gegevens wegkreeg, weet ik niet. Dat was vlak voor de oorlog.

Maar er zijn er verscheidene overgekomen. Alles bij elkaar genomen, waren dat wel zo'n zeventig of tachtig vluchtelingen. Dat is waar. Die heb ik allemaal zelf opgehaald.

Maarje moest als de donder oppassen. Je had zo een ss-er of een fascist in de armen. Alleen om die organisatie op te rollen. Daar moest je voor oppassen. Maar ze hebben er nooit één gekregen. Die vluchtweg is nooit ontdekt. Daar zijn ze beslist niet achtergekomen."

Slechts in een enkel geval maakte Derk Telkamp het mee, dat zich een vluchteling aandiende, die niet via Johann Bültena was ge- komen. Wellicht zou deze vluchteling — om de vluchtweg niet in gevaar te brengen — op andere plaatsen aan de grens geweigerd zijn. Derk Telkamp nam de vluchteling wèl op:

"Dat is een andere geschiedenis. Ik was zelf vrijgezel. En ik ging een keer nit en kwam op een zondagavond thuis. Ik dacht: 'Het is zo prachtig mooi weer.' Het was heel mooi zomerweer. Wij woonden in het veld. Het koren was zo groot, vlak tegen ons huis. Ik denk: 'Ik Wil nog even een sigaret roken.' Of een pijp — er was geen geld voor sigaretten. Over de horizon hing zo'n neveltje. Het was lichte maan. Maar donker door die mist. De maan was wat verstopt. De hond zat naast mij.

En ik stond zo te roken en ik denk: 'Zie ik dat non goed?' Komt me er ineens een kerel omhoog. Ik denk: 'Wat is dat nou? Er staat me een kerel in het koren.' Teen heb ik onze eigen zandweg opgekeken, naar voor en naar achter, of er ook iemand aankwam. Ik direct de grens over. Hij begon het eerst te praten. Hij zei: 'Wo ist die holländische Grenze?' Ik zei: 'Hier! Wat wilt U? Naar Holland? Kom maar hier.' En toen kwam hij uit het koren. Ik zei: 'Gauw man, erover, spring maar over dat slootje!' De hond stond ook bij mij. Er kon dus geen douane aankomen. Dat zag de hond ja wel. En die meldde dat onmiddellijk.

Nou, over de grens en direct in een zijdeur. En de deur dicht. Ik zei: 'Hoe kom je daar nou?' 'Ja,' zegt hij, 'ik ben daar van dat dorp gekomen.' 'En toen dan?' 'Nou, ze hebben me dat zo uitgestippeld. Ik moest in die richting lopen en dan moest ik naar jullie toe.' Ik zei: 'Hoe heet ik dan?' 'Dat weet ik niet meer', zei hij. Ik zei: 'Nou, dat doet er ook helemaal niets aan af.'

Er woonden ook nog mensen achter ons, een vijftig meter. Maar daar was niemand bij, die die mensen zou verraden. Die wisten ook wel, wat wij deden. Ik heb m’n vader geroepen. Die lag al op bed. Het was misschien één uur.

En die vent kwam van Bremen. Rechtstreeks van Bremen. Hoe die in Wymeer is gekomen, dat is me vandaag nog een raadsel. Ik heb Johann Bültena ook gevraagd. 'Nee,' zei hij, 'daar weet ik niks van.' Ik zei: 'Oh god, man, ze komen zo bij ons aanlopen.'

Ik heb hem meegenomen in huis. En de volgende morgen heb ik hem naar Abbas gebracht in Bellingwolde.

Het is nooit vaker gebeurd. En hoe die man daar nou terecht is gekomen, dat weet ik nog niet."

Rode Hulp - De opvang van Duitse vluchtelingen in Groningerland, p. 82 - 86